Stamrecht bv oprichten is nog mogelijk tot 1 juli 2014, overgangsrecht.

Update 19 november 2013 teksten Belastingdienst

Stamrechtvrijstelling vervalt per 1 januari 2014

Per 1 januari 2014 vervalt de stamrechtvrijstelling voor nieuwe gevallen. Voor stamrechten die zijn toegekend vóór 1 januari 2014 en waarop de stamrechtvrijstelling van toepassing is, geldt overgangsrecht.

Vanaf 1 januari 2014 kunnen stamrechtaanspraken ook ineens worden uitgekeerd of in een andere vorm dan periodieke uitkeringen.

Daarnaast mogen in 2014 deze stamrechten in de volgende 2 situaties volledig in 1 keer uitgekeerd worden onder inhouding van loonheffingen over 80% van de  aanspraak:

  • De uitkering ter vervanging van gederfd of te derven loon (bijvoorbeeld een ontslaguitkering) is vóór 15 november 2013 overgemaakt naar de rekening van de stamrecht-bv, bank, beleggingsinstelling of verzekeraar.
  • De werkgever treedt zelf op als verzekeraar van het stamrecht. Ook heeft de werkgever zich verplicht vóór 15 november 2013 het stamrecht te verzekeren.

Informatie over het overgangsrecht inzake het vervallen van de stamrechtvrijstelling zoals toegezegd door Staatssecretaris Weekers tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Belastingplan 2014 op 13 november 2013

Zelf uitrekenen of het zinvol is uw stamrecht BV op te heffen?

Stamrechtvrijstelling vervalt

Let op! Onderstaande informatie over afschaffing van de stamrechtvrijstelling en het overgangsrecht moet nog door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd en is daarom onder voorbehoud.

Per 1 januari 2014 vervalt de stamrechtvrijstelling. Uw (ex-)werknemer kan er dan niet meer voor kiezen om een onbelaste ontslaguitkering te ontvangen in de vorm van een stamrecht (aanspraak op periodieke uitkeringen). U mag de ontslaguitkering vanaf 2014 alleen nog toekennen in de vorm van een belaste uitkering. Uw werknemer kan geheel 2013 nog gebruik maken van de stamrechtvrijstelling.

Stamrechtvrijstelling onder voorwaarden toch mogelijk bij ontslag in 2014

Hieronder vindt u de voorwaarden die gelden voor vergoedingen voor gederfd of te derven loon welke nog onder de stamrechtvrijstelling vallen.

Ontslag in 2014

Als uw werknemer in 2014 wordt ontslagen gelden de volgende voorwaarden.

  • U moet het ontslag in 2013 hebben aangezegd en de ontslagdatum moet op 31 december 2013 vaststaan.
  • De dienstbetrekking wordt binnen een korte termijn na het vaststellen van de ontslagdatum beëindigd. Van een korte termijn is in ieder geval sprake als het gaat om de wettelijke opzegtermijn. Een wettelijke opzegtermijn kan oplopen tot maximaal een half jaar.
  • U moet vóór 1 januari 2014 een overeenkomst met uw werknemer opmaken en ondertekenen waaruit blijkt dat u aan uw werknemer een aanspraak toekent op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, die niet later ingaan dan in het jaar waarin uw werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Uit de overeenkomst moet ook blijken dat de aanspraak wordt ondergebracht bij een professionele verzekeraar, een stamrecht-bv of bank en dat de stamrechtuitkeringen zijn bestemd voor wettelijk aangewezen begunstigden. U voldoet ook aan deze voorwaarde als u met de werknemer bent overeengekomen dat de ontslaguitkering alleen kan worden aangewend als koopsom van een aanspraak, die voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, of artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964.
  • Uw werknemer gebruikt alleen een uitkering ter vervanging van gederfd of te derven loon voor het aankopen van een stamrecht. Een (na)betaling van loon, vakantiegeld, tantième of gratificatie is geen uitkering ter vervanging van gederfd of te derven loon. Op deze betalingen kunt u de stamrechtvrijstelling niet toepassen. De (na)betaling is belast loon van de werknemer.

Overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande stamrechten

Voor op 31 december 2013 bestaande stamrechten geldt overgangsrecht. Voor deze stamrechten blijven de regels gelden zoals deze op 31 december 2013 waren. De voorwaarde dat het stamrecht in periodieke termijnen uitgekeerd moet worden vervalt. Het stamrecht mag vanaf 1 januari 2014 ook in een keer worden opgenomen. Er is dan geen revisierente verschuldigd. Bestaande stamrechten kunnen dus onder de huidige voorwaarden worden voortgezet. Het overgangsrecht geldt ook voor stamrechten waarbij het ontslag plaatsvindt in 2014 en voldaan wordt aan de hierboven beschreven voorwaarden.

Ter stimulering van opname in 2014 geldt voor dat jaar een bijzondere regeling. Als uw (ex-)werknemer in 2014  de volledige waarde in het economische verkeer van het stamrecht in een keer laat uitbetalen, wordt 80% van dit bedrag in de belastingheffing betrokken. Deze faciliteit geldt alleen voor stamrechten waarvan u de verschuldigde ontslaguitkering vóór 15 november 2013 heeft overgemaakt naar de professionele verzekeraar, stamrecht-bv, de uitvoerder van het bankspaarproduct of, indien het stamrecht in eigen beheer wordt gehouden, de werkgever zich voor 15 november verplicht als verzekeraar te zullen optreden.

(Versie 14 november 2013)


Onderstaand treft u het integrale conceptverslag aan van het overleg van 4 november 2013 met staatssecretaris Weekers over het Belastingplan 2014. Wij zullen u een toelichting verstrekken van de bijzonderheden en hoofdpunten uit dit verslag.

Grensgevallen

Het is voor personen die tussen wal en schip vallen ten opzichte van de oorspronkele deadline van 31 december 2013 van belang dat op uiterlijk 31 december 2013 de aard en omvang van de stamrechtaanspraak vast dient te staan. Letterlijk wordt hier het volgende door de staatssecretaris over gezegd : 

Essentieel is dat de aard en de omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraken op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar zijn.
Dat betekent dat voor 1 januari 2014 een stamrechtovereenkomst getekend dient te zijn waaruit blijkt dat de werkgever aan zijn werknemer een aanspraak toekent op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, die niet later ingaan dan in het jaar waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Uit die overeenkomst dient tevens te blijken dat het bedrag ter financiering van de aanspraak bij een in de wet aangewezen aanbieder wordt ondergebracht.
Ook de ontslagdatum dient op 31 december 2013 vast te staan. Dat betekent echter niet dat de feitelijke ontslagdatum per se al in 2013 gelegen dient te zijn. Het ontslag moet dus wel aangezegd zijn voor 31 december 2013 en binnen korte termijn worden uitgevoerd. Dan vraag je je natuurlijk af wat een korte termijn is. Daarvan is in ieder geval sprake als het gaat om de wettelijke opzegtermijn. Een wettelijke opzegtermijn kan, inclusief de wettelijke verlengingsmogelijkheid, oplopen tot uiterlijk een halfjaar.

 

Dit betekent naar onze mening dat er uiterlijk 31 december 2013 een ondertekende stamrechtovereenkomst dient te zijn. 


 

De voorzitter: Misschien kan de staatssecretaris meteen een bruggetje maken naar het volgende blok, dat stamrechten betreft.

Staatssecretaris Weekers: Dat is een mooi bruggetje. Met deze twee maatregelen beogen we ook echt bestedingsimpulsen. Daar helpen we de economie volgend jaar alleen maar mee. De maatregelen voor de stamrechten en de tijdelijke verlaging van de tarieven in box 2 leiden niet tot minder bedrijvigheid, maar hopelijk juist tot meer. Die bedrijven die het geld in de bv moeten of willen houden om de onderneming goed draaiende te houden of uit te breiden, zullen niet overgaan tot dividenduitkering.

Natuurlijk zijn er wel enkele andere maatregelen die bepaalde vormen van bedrijvigheid raken. Ik noem maar de accijnzen. Daar kom ik later in mijn verhaal op terug. Het is ontegenzeggelijk zo dat die bepaalde bedrijven zullen raken. Ik vind dat niet plezierig; integendeel zelfs. We staan echter voor een enorme opgave.

Dat brengt mij inderdaad bij de stamrechten, het tweede blok. Zoals gezegd ben ik schriftelijk uitvoerig ingegaan op de vraagtekens die zijn gezet bij de ramingen. Er bestaat nooit zekerheid over ramingen. Eén zekerheid is er: geen enkele raming zal tot op twee cijfers achter de komma blijken te kloppen. Met ramingen proberen we in ieder geval naar beste inzicht te schatten wat bepaalde maatregelen opleveren of kosten. We hebben een behoedzame raming gemaakt, waarop we zeker vertrouwen.

De belangrijkste variabele waarmee we volgend jaar te maken hebben, is natuurlijk de economie. Als de economie wat sterker aantrekt dan we verwachtten, zullen de belastinginkomsten ook fors meevallen. Blijft de economische ontwikkeling achter bij de verwachting, dan zullen de belastingopbrengsten tegenvallen. Dat zullen we pas na afloop van volgend jaar weten. Zoals u weet, houden we ook tussentijds de vinger aan de pols.

Mevrouw Schouten en de heren Omtzigt, Bashir en Klein hebben een aantal vragen gesteld over het overgangsrecht bij het afschaffen van de stamrechtvrijstelling. Bij dit soort wijzigingen is altijd sprake van grensgevallen. Als je een bepaalde regeling in de toekomst afschaft, zijn er altijd grensgevallen. Dat is onvermijdelijk. Ik wil dat zorgvuldig wegen. Ook vanuit de praktijk zijn hierover vragen gesteld. Daarom vind ik het van belang om duidelijkheid te geven. Essentieel is dat de aard en de omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraken op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar zijn.

Dat betekent dat voor 1 januari 2014 een stamrechtovereenkomst getekend dient te zijn waaruit blijkt dat de werkgever aan zijn werknemer een aanspraak toekent op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, die niet later ingaan dan in het jaar waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Uit die overeenkomst dient tevens te blijken dat het bedrag ter financiering van de aanspraak bij een in de wet aangewezen aanbieder wordt ondergebracht.

Ook de ontslagdatum dient op 31 december 2013 vast te staan. Dat betekent echter niet dat de feitelijke ontslagdatum per se al in 2013 gelegen dient te zijn. Het ontslag moet dus wel aangezegd zijn voor 31 december 2013 en binnen korte termijn worden uitgevoerd. Dan vraag je je natuurlijk af wat een korte termijn is. Daarvan is in ieder geval sprake als het gaat om de wettelijke opzegtermijn. Een wettelijke opzegtermijn kan, inclusief de wettelijke verlengingsmogelijkheid, oplopen tot uiterlijk een halfjaar. Dat is dus de redelijke termijn waar ik het zojuist over had. Die wordt gekoppeld aan de wettelijke opzegtermijn.

Aanmelding van het sociaal plan bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is niet van belang, want een stamrechtaanspraak -- dat weet de Kamer uiteraard -- kan immers ook buiten een sociaal plan toegezegd zijn. Dat kan dus niet van doorslaggevende betekenis zijn.

Ik ben van mening dat deze afbakening van de toepassing van de stamrechtvrijstelling voldoende ruimte biedt en dat de voor 2014 toegekende stamrechten met het overgangsrecht op de juiste wijze worden behandeld.

Als hier geen verdere vragen over zijn …

 

De voorzitter: Ik denk zomaar dat dit wel het geval zal zijn.

 

Staatssecretaris Weekers: Ik zal zo ingaan op de vragen die mevrouw Neppérus en anderen hebben gesteld over de grens van 15 november.

 

De voorzitter: Ik hoor dat een en ander met elkaar samenhangt. Zullen we de staatssecretaris dit eerst nog laten uitleggen? Dan kunnen we daarna bekijken welke vragen nog zijn blijven liggen op dit punt.

 

Staatssecretaris Weekers: Mevrouw Neppérus heeft verzocht meer duidelijkheid te geven over de grens van 15 november, bij de afbakening van de 80%-regeling bij stamrechten. Mevrouw Neppérus heeft ook gevraagd of gekeken kan worden naar de grensgevallen, waarbij partijen rond 15 november overeenstemming hebben bereikt of zullen hebben bereikt --15 november moet namelijk nog komen -- over het stamrecht, maar nog wel wat puntjes op de i moeten zetten.

De voorwaarde voor de 80%-regeling is dat het bedrag voor het stamrecht voor 15 november moet zijn overgemaakt. Deze voorwaarde heb ik erin opgenomen om anticiperend gedrag te beperken. We hebben in het verleden in de Kamer discussies gehad over anticiperend gedrag. Vorig jaar ging het over de assurantiebelasting. Ik meen dat we het een jaar eerder hadden over de vrijval van de spaarloonregeling. Ik heb gemeend dat de Kamer graag anticiperend gedrag voorkomt. Daarom heb ik 15 november als datum genoemd, om de Kamer in ieder geval in de gelegenheid te stellen om hiervan iets te vinden voordat de datum ingaat. Ik had ook 1 november kunnen noemen of de dag dat de nota van wijziging naar de Kamer ging. Dit leek mij echter de meest ordentelijke wijze. Als de Kamer 15 november niet de juiste datum vindt en vindt dat het een andere datum moet zijn, sta ik daar op zichzelf voor open. Hoe verder de datum echter wordt opgeschoven in de richting van 31 december, hoe meer anticiperend gedrag er zal worden vertoond. Als mensen in 2013 nog een gouden handdruk meekrijgen, kunnen ze ervoor kiezen om deze in één keer te laten uitkeren en deze rondom de middelingsregeling over drie jaar uit te laten smeren. Ze kunnen de zaak ook onderbrengen in een stamrecht-bv, een stamrechtlijfrente of een bankspaarproduct. Dan kunnen ze echter niet meteen per 1 januari volgend jaar profiteren van een belastingkorting om dat stamrecht weer ongedaan te maken. Je kiest dus wel of niet voor dat stamrecht. Deze mensen hebben nog het voordeel dat ze de keuze hebben. Na 1 januari hebben mensen die keuze niet meer.

Daarom vond ik het dus redelijk om voor 15 november te kiezen.

Voor de toepassing van de 80%-regeling moet ik een verifieerbare grens aanhouden. Dat is heel simpel. Je kunt heel gemakkelijk meten of geld wel of niet is overgemaakt. Als het geld op 15 november is overgemaakt, dan is het nog een stamrecht dat volgend jaar ook weer kan worden afgebouwd en tegen 80% kan worden afgerekend. Als het geld op 15 november nog niet is overgemaakt, dan komt het stamrecht volgend jaar niet meer in aanmerking voor de 80%-regeling.

Natuurlijk is het niet de bedoeling dat de grens zodanig streng wordt gehanteerd dat mensen worden getroffen in bijvoorbeeld gevallen waarin de werkgever het bedrag wel heeft overgemaakt voor 15 november, maar het pas na de 15de is bijgeschreven op de rekening van de aanbieder of is geparkeerd op een tussenrekening, simpelweg omdat administratieve processen zo lopen. Het gaat erom wanneer de werkgever het geld heeft overgemaakt.

 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Ik heb meerdere vragen, maar ik neem aan dat de collega's ook nog vragen hebben. Ik laat het 80%-verhaal bij mevrouw Neppérus.

Mijn vraag gaat specifiek over sociale plannen waarin al is afgesproken dat er via een stamrecht een mooie regeling wordt getroffen. De sociale plannen betreffen een heel complex van maatregelen over de hele organisatie. Als je daar nu één element uithaalt, kan dat consequenties hebben voor alle andere regelingen in de sociale plannen. Wat doen wij met de sociale plannen die al zijn aangemeld en al zo goed als rond zijn, maar die nu door deze regeling toch weer onder druk komen te staan? Kan daarvoor een overgang geregeld worden?

 

Staatssecretaris Weekers: Daarmee zou je ongelijkheid creëren tussen de gevallen waarin middels een sociaal plan afscheid wordt genomen en de gevallen waarin niet middels een sociaal plan maar middels een andere regeling afscheid wordt genomen. Ik meen dat wij behoorlijk veel ondervangen met het invullen van de redelijke termijn met de wettelijke opzegtermijn. Ik heb aangegeven dat de wettelijke opzegtermijn vier maanden bedraagt, met een mogelijkheid van verlenging tot zes maanden. Zes maanden na 1 januari volgend jaar betekent 1 juli 2014; ik meen dat wij daarmee behoorlijk veel ondervangen. Als wij toestaan dat sociale plannen die nog veel verder na die datum doorlopen, veel verder daarna tot uitkering komen middels stamrechten, blijven wij de regeling veel te lang met ons meeslepen. Ik meen dat er voldoende tijd is om de zaak aan te passen. Als de ontslagdatum bekend is voor 31 december van dit jaar -- naar ik aanneem, is dat het geval bij de sociale plannen waarover mevrouw Schouten spreekt -- moet het toch geen probleem zijn om er binnen de redelijke termijn zoals ik die net heb uitgelegd, voor te zorgen dat het stamrecht voor 1 juli vervolmaakt wordt, ook al moet het dan wellicht iets naar voren worden geschoven.

 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Heeft de staatssecretaris contact gehad met het ministerie van Sociale Zaken om na te gaan hoe groot de eventuele problematiek op dit punt is? Wat de staatssecretaris zegt, klinkt mij redelijk in de oren, maar ik wil graag zeker weten of daar beter naar gekeken is. Als dit niet het geval is, kan dit dan nog worden gedaan voor de plenaire afronding? Ik zou graag voor die tijd een beeld hebben van deze problematiek.

 

Staatssecretaris Weekers: Dat zeg ik graag toe. Ik zal contact opnemen met de collega van Sociale Zaken om na te gaan of de regeling zoals wij die nu uitleggen, voldoende comfort biedt, of dat er nog evidente knelpunten te verwachten zijn waarvoor een oplossing bedacht moet worden. Voor het plenaire debat zal ik de Kamer hierover berichten.

 

De voorzitter: Dan de 80% van mevrouw Neppérus.

 

Mevrouw Neppérus (VVD): Ik heb hem niet in mijn portemonnee zitten. Ik wil nog even doorgaan op de interruptie van mevrouw Schouten. We krijgen natuurlijk ook al die post over sociale plannen die in de maak zijn, maar nog net niet rond zijn. Ik ben natuurlijk altijd een voorstander van het tegengaan van anticiperen, zeg ik dan maar als oud-inspecteur. Als er dan toch contacten zijn met het ministerie van Sociale Zaken, kunnen we dan misschien ook nagaan of er nog sprake is van een regeling die zo raar uitpakt dat daar iets aan zou moeten worden gedaan? Al is het maar een paar dagen later, zeg ik erbij. Kan dat in het gesprek met het ministerie van Sociale Zaken worden meegenomen?

 

Staatssecretaris Weekers: Ik vind het geen enkel probleem om ook dit punt even mee te nemen. Ik proef hier wel steun voor het streven om anticiperend gedrag te voorkomen.

 

De heer Omtzigt (CDA): Ik wil allereerst even opmerken dat dit me heel net overgangsrecht lijkt. Er waren immers nogal wat grensgevallen. Ik ben overigens heel benieuw wat het voorstel om nog een half jaar lang een uitkering te kunnen krijgen, doet met de raming van de opbrengsten. Het is echter wel noodzakelijk.

Ik kan niet binnen een minuut inschatten of hiermee alle gevallen voorkomen zijn. Ik wil derhalve een procedurevoorstel doen. Ik stel de staatssecretaris voor om datgene wat hij zojuist gezegd heeft, officieel in een brief vast te leggen en die ook gewoon naar de sociale partners te sturen en te publiceren. Het ziet er netjes uit. Op die manier kunnen wij ons voor het plenaire debat nog een beeld vormen of er ergens een punt is blijven liggen waarop het niet loopt.

Voor de CDA-fractie ligt er overigens wel een verschil op het punt van die 80%. Wij hebben geleerd van de levensloopregeling waarbij we op het laatste moment een mogelijkheid creëerden om te storten en onmiddellijk op te nemen, waardoor de Staat veel belasting is misgelopen. Daar tillen wij minder zwaar aan dan aan het ontstaan van vervelende grensgevallen, omdat mensen al een stamrecht toegezegd zouden hebben gekregen maar die niet meer kunnen krijgen. Wil de staatssecretaris dat op die manier doen? Hij kan eventueel overwegen om een hardheidsclausule op te nemen voor onbillijke gevallen of voor het opnemen van de stamrechten voor bijvoorbeeld het opzetten van een eigen onderneming.

 

Staatssecretaris Weekers: De heer Omtzigt heeft een aantal vragen gesteld. Ik dank hem voor het compliment over het overgangsrecht. Elke fractie geeft een eigen appreciatie van wat zij belangrijker vindt: het voorkomen van anticipatiegedrag of ervoor zorgen dat niemand tussen wal en schip valt. Het zal bij iedereen misschien net weer even anders liggen, maar ik probeer beide zaken zorgvuldig te wegen.

Ik voel er niet voor om brieven te sturen aan de sociale partners. Ik kan mij echter goed voorstellen dat het handig is om de voorwaarden die ik zojuist ook heb geschetst, te publiceren op de website van de Belastingdienst, zodat elke Nederlander die gemakkelijk kan raadplegen en weet wat de bedoeling is en wat er wel niet onder valt. Dat doe ik dan uiteraard met de disclaimer dat de Tweede en Eerste Kamer hier nog wel mee akkoord moeten gaan.

Ik kan mij ook voorstellen dat we dan aan de hand van datgene wat we publiceren en het inventariserend rondje richting de collega van Sociale Zaken, dat ik zojuist mevrouw Schouten en mevrouw Neppérus heb toegezegd, proberen om tussen nu en het plenaire debat te bekijken of er nog grensgevallen te onderkennen zijn die echt als knelpunten kunnen worden beschouwd. Dan kunnen we het daarover hebben en bekijken of daar nog iets ordentelijks voor moet worden geregeld.

Ik voel er niet voor om hiervoor een specifieke hardheidsclausule op te nemen. Ik wil in beeld brengen hoe de regeling eruitziet en wat we nu onderkennen. Mochten zich later gevallen manifesteren waar we totaal niet bij hebben stilgestaan, dan hebben we natuurlijk nog de algemene hardheidsclausule in het fiscale recht. Ik kan dan aan de hand van de algemene hardheidsclausule en vraagstukken die aan mij worden voorgelegd, nog begunstigende besluiten nemen.

 

De voorzitter: Ik stel vast dat het handig is om de formuleringen die de staatssecretaris zojuist heeft gebruikt, zo spoedig mogelijk ook via de mail beschikbaar te stellen. Die moeten niet alleen op de site van de Belastingdienst staan. Het is onhandig als we die informatie daarvan af moeten plukken. Laten we dat in ieder geval vaststellen.

 

De heer Omtzigt (CDA): Dat was precies mijn vraag. Ik vind het een heel net voorstel, maar doe het inderdaad in een Kamerbrief. Mensen kunnen er dan later ook rechten aan ontlenen.

 

Staatssecretaris Weekers: Dan had ik de vraag net wat verkeerd begrepen. Als de Kamer het zelf graag op schrift wil hebben en niet wil wachten tot het verslag van de vergadering is uitgetikt, kan dat natuurlijk.

 

De heer Omtzigt (CDA): Daar gaat het om.

 

De voorzitter: Zo had ik het ook opgevat. Ik zag de Kamerleden fanatiek meeschrijven, maar dat is natuurlijk niet de manier waarop het moet gaan. Er ontstaan dan misschien toch nuanceverschillen.

 

Staatssecretaris Weekers: In de loop van deze week zal er toch nog een brief komen, omdat er vandaag nog wel meer vragen zullen worden gesteld waarop we nader schriftelijk ingaan. Er zal ook nog een nota van wijziging komen. Die zal de Kamer deze week nog op schrift bereiken.

Voorzitter. Wat mij betreft waren dit de stamrechten.

 

 


 

 

 

 conc

CONCEPTVERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG OVER:
Belastingplan 2014 c.a.

Desgewenst kunt u correcties in de weergave van uw woorden aanbrengen. U wordt verzocht, deze correcties uiterlijk 6 november te 18.00 uur aan de Dienst Verslag en Redactie te retourneren. Het is voldoende, alleen gecorrigeerde blaadjes aan ons terug te zenden, eventueel per fax. Hebben wij op het moment van het verstrijken van de correctietermijn geen reactie ontvangen, dan gaan wij ervan uit, dat u instemt met de weergave van uw woorden. Let op! Neem voor uitstel van de uiterste correctiedatum contact op met de griffier van de desbetreffende commissie.

Inlichtingen: tel. 3182104 / 3183019.
Faxnummer Dienst Verslag en Redactie 070-3182116.

VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld

De vaste commissie voor Financiën heeft op 4 november 2013 overleg gevoerd met staatssecretaris Weekers van Financiën over het Belastingplan 2014 c.a.
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
Van Nieuwenhuizen-Wijbenga

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,
Berck

Voorzitter: Van Nieuwenhuizen-Wijbenga
Griffier: Maas

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Bashir, Dijkgraaf, Groot, Klein, Koolmees, Neppérus, Van Nieuwenhuizen-Wijbenga, Omtzigt, Schouten, Van Vliet,

en staatssecretaris Weekers van Financiën, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014) (33752);
- het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2014) (33753);
- het wetsvoorstel Wijziging van enkele wetten met het oog op de bestrijding van fraude in de toeslagen en fiscaliteit (Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit) (33754);
- het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de wijziging van de percentages belasting- en invorderingsrente (Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente) (33755).

Aanvang 11.05 uur.

De voorzitter: Goedemorgen, ik heet iedereen van harte welkom bij dit wetgevingsoverleg. We starten zo meteen met een paar minuutjes vertraging met de beantwoording in eerste termijn door de staatssecretaris. Ik heb echter begrepen dat de heer Van Vliet een ordevoorstel wil doen. Ik stel hem daar nu voor in de gelegenheid.

De heer Van Vliet (PVV): Voorzitter, het is weliswaar een uiterst belangrijk debat, maar de geplande eindtijd van 23.00 uur is misschien toch wel een beetje overdreven in het licht van het feit dat we nog twee plenaire afrondingsdagen voor de boeg hebben. We hebben zojuist van mevrouw Kipp van de Griffie de bevestiging gekregen dat hiervoor inderdaad behoorlijk wat uren worden ingeruimd. We hoeven ons dan ook geen zorgen te maken over de vraag of er genoeg ruimte is voor het indienen van moties en amendementen en het geven van ons politieke oordeel.
Voorzitter, met het oog hierop stel ik de commissie en u voor om de staatssecretaris zijn reactie te laten geven met de gebruikelijke interrupties om daarna de tweede termijn te beperken tot feitelijke aanvullingen door degenen die de staatssecretaris nog iets willen meegeven. De moties en amendementen kunnen we vooral plenair behandelen. We hebben in mijn voorstel dus alleen maar een kort tweede termijntje voor degenen die daaraan behoefte hebben.

De voorzitter: Ik ga even na wat uw collega's daarvan vinden.

De heer Bashir (SP): Voorzitter, ik ben ervoor dat u ons de mogelijkheid geeft om uitgebreid te interrumperen, want dan kunnen we de tweede termijn helemaal plenair doen. We hoeven namelijk geen tweede termijn in dit wetgevingsoverleg te houden omdat er nog een plenair debat komt, inclusief een tweede termijn. Dat biedt ons voldoende ruimte en ik stel dan ook voor om bij dit wetgevingsoverleg af te zien van een tweede termijn.

De voorzitter: Dat lijkt me een nuance, want de heer Van Vliet wilde dat korte tweede termijntje alleen gebruiken voor mensen die nog snel iets aan de staatssecretaris willen meegeven. Dat is het enige verschil.

Mevrouw Neppérus (VVD): Net als de heer Van Vliet hecht ik eraan om een korte tweede termijn te houden, zodat we de staatssecretaris nog wat feitelijke vragen mee kunnen geven. Ik zal daar in ieder geval maar weinig tijd voor nodig hebben. Het lijkt me goed om het zo te doen, omdat we dan alleen maar beter voorbereid zijn op de plenaire afronding.

De heer Groot (PvdA): Het biedt ons de mogelijkheid om nog wat vragen te stellen, waarmee het ministerie de komende weken eventueel aan de slag kan. De politieke afronding kan dan volgende week plaatsvinden. Die tweede termijn kan dus heel kort zijn. Ik zeg dat om de heer Bashir gerust te stellen.

De heer Omtzigt (CDA): Ik heb voorkeur voor een tweede termijn. Overigens gaat mijn voorkeur niet uit naar een heel korte tweede termijn. Het lijkt mij zaak om alle technische vragen en onduidelijkheden die we vandaag kunnen wegnemen, ook echt weg te nemen, omdat dat nog meer druk op de plenaire agenda voorkomt. Nu ik toch uit Enschede naar Den Haag ben gekomen, ben ik best bereid om tot 23.00 uur door te gaan!

De voorzitter: Ik zie dat de andere woordvoerders zich hierin kunnen vinden.
We starten zo meteen dus met de beantwoording door de staatssecretaris. Ik sluit mij wel aan bij de opmerking van de heer Omtzigt dat het echt de voorkeur verdient om vandaag zo veel mogelijk op te helderen. We moeten in ieder geval geen zaken laten lopen, omdat er nog twee plenaire rondes volgen. Laten we dus doorpakken vandaag. Als het goed is, houden we een heel korte tweede termijn over en dat is wat de heer Van Vliet voorstelde.
Voor de mensen die de vorige keer thuis hebben meegeluisterd, wijs ik erop dat een groot deel van de vragen die toen zijn gesteld, inmiddels schriftelijk zijn beantwoord. Als iemand geen antwoord hoort op een vraag die volgens hem of haar toch echt de vorige keer is gesteld, dan is die vraag dus wellicht in de schriftelijke beantwoording aan de orde gekomen.
Ik heb van de staatssecretaris begrepen dat hij zijn antwoord in blokken heeft verdeeld. Dat lijkt mij heel plezierig. We gaan zien hoeveel blokjes we voor de lunchpauze kunnen doen, want het woord is nu aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Weekers: Voorzitter. Ik begin met de Kamer te bedanken voor de grote belangstelling voor het pakket Belastingplan. Meer in het bijzonder bedank ik de Kamer voor haar inspanningen, want er wordt in een heel korte tijd nogal wat gevraagd van de Kamer. Er ligt niet alleen een uitvoerig pakket Belastingplan voor, een pakket dat bestaat uit diverse wetsvoorstellen, maar ook een behoorlijke nota van wijziging als gevolg van het aanvullend akkoord. Op het ministerie van Financiën hebben we de vragen geturfd en wij kwamen uit op meer dan 1.200 Kamervragen. De meeste vragen hebben we al in een van de diverse schriftelijke rondes beantwoord. Ik hoop de vragen die nog openstaan, vandaag of anders volgende week plenair te beantwoorden.
Ik heb mijn beantwoording in de volgende blokjes verdeeld.
Ik ga eerst in op het Belastingplan, waarbij ik de volgende blokjes heb: het inkomensbeleid, de vragen rondom de stamrechten, de accijnzen, afvalstoffen- en leidingwaterbelasting en tot slot lokaal duurzaam opgewekte energie. De overige punten meen ik schriftelijk volledig te hebben beantwoord, maar mochten er rondom het Belastingplan vragen zijn waarvan de Kamer meent dat ik ze onvoldoende heb beantwoord, hoor ik dat uiteraard graag. Na de bespreking van het Belastingplan ga ik verder met het wetsvoorstel OFM, overige fiscale maatregelen 2014. Hier staat een tweetal onderwerpen open, namelijk de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, de WIBB, en de anbi's. Vervolgens zal ik stilstaan bij de vragen rondom het wetsvoorstel Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit en tot slot zal ik het wetsvoorstel Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente behandelen.

De heer Omtzigt (CDA): Ik mis een blokje over de 1 miljardoperatie rondom de box 2-heffing. Gaat de staatssecretaris ervan uit dat alle vragen hierover beantwoord zijn?

De voorzitter: Passen ze nog in een blokje?

Staatssecretaris Weekers: Nee, voorzitter. Ik meen inderdaad dat ik de vragen hierover voldoende beantwoord heb. Ik kom er heel kort op terug, dus de heer Omtzigt vindt tijdens de bespreking van het eerste blok, waar het gaat over het inkomensbeleid, vast wel een haakje om mij daarop verder te bevragen.
Diverse leden hebben vragen gesteld over het inkomensbeleid. Ik ga er niet uitvoerig op in, want iedereen heeft in de stukken kunnen lezen dat in het regeerakkoord is aangegeven wat het kabinet verstaat onder een evenwichtig inkomensbeleid. Met name de heer Van Ojik heeft hierover vragen gesteld. In het regeerakkoord is aangegeven dat het kabinet werk wil laten lonen. Daarnaast is aangegeven dat lage inkomens worden ontzien en dat van hogere inkomens een extra bijdrage wordt gevraagd. In een tijd waarin er behoorlijk moet worden omgebogen en we ook behoorlijk ombuigen op overheidsuitgaven, zijn vooral mensen met een wat kleiner inkomen aangewezen op programma-uitgaven van de overheid. Daarom voelen mensen met een wat kleiner inkomen sneller dat er wordt bezuinigd op uitgaven. Om te komen tot een evenwichtig inkomensbeleid is daarom in het Belastingplan 2014 een aantal lastenmaatregelen getroffen die met name worden gevoeld door mensen met hogere inkomens. De heer Koolmees vroeg een beetje plagerig of hier sprake is van nivellering. Ik zou dit woord niet direct overnemen -- de heer Koolmees begrijpt dat wel -- omdat de lastenmaatregelen moeten worden gezien in het bredere perspectief van het kabinetsbeleid en de grote opgave waarvoor het kabinet zich geplaatst voelt. Overigens hebben alle inkomens profijt van de verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting in 2014. Ook hebben alle inkomens tot ruim €95.000, drie keer modaal, profijt van de verhoging van de arbeidskorting. Daarna wordt het afgebouwd, zoals u weet.
De heer Van Ojik vroeg naar de werkgelegenheidseffecten van het Belastingplan. In de begrotingsafspraken voor 2014 hebben we opgenomen dat de ambitie is dat de werkgelegenheid op termijn stijgt met 0,8%, ofwel ruim 50.000 banen. Daarvan is volgens de analyse van de begrotingsafspraken 2014 door het Centraal Planbureau al een groot deel in beeld. Het Centraal Planbureau schat in dat het totale werkgelegenheidseffect van het beleid 0,6% bedraagt. Dit komt overeen met de eerdere doorrekening van het regeerakkoord. De begrotingsafspraken die met de vijf partijen zijn gemaakt, hebben volgens het Centraal Planbureau per saldo een positief effect op de werkgelegenheid.

De heer Van Ojik (GroenLinks): Die zijn nu ongeveer terug op het ambitieniveau van het regeerakkoord. Je kunt ook zeggen dat we weer bij af zijn.
Mijn vraag aan de staatssecretaris ging met name over dat expliciete doel in het Belastingplan: werken moet lonen. Ik heb geen vraagtekens gezet bij de werkgelegenheidseffecten van het akkoord en het regeerakkoord; die vind ik te weinig ambitieus, maar goed, daar kan men anders over denken. Het principe van "werken moet lonen" gaat heel erg uit van het idee dat er iets niet helemaal in orde is met het aanbod van werkgelegenheid en mensen kennelijk onvoldoende prikkels voelen om te gaan werken. Er wordt vaak gezegd dat de armoedeval, of hoe dat ook wordt genoemd, te klein is. Ik heb gezegd dat er steeds minder vacatures komen. Het probleem is dat er geen banen zijn. Hoezo "werken moet lonen"? Ik zal mijn interruptie de volgende keer wat korter houden, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter: Dat lijkt mij een goed idee.

De heer Van Ojik (GroenLinks): Ik heb begrepen dat er geen tweede termijn komt en ik wilde toch ingaan dit punt. De staatssecretaris noemt dit een centraal punt in zijn Belastingplan. Ik snap het niet in het licht van de situatie op de arbeidsmarkt. Dat is eigenlijk de vraag.

Staatssecretaris Weekers: Als arbeidskosten lager worden, wordt het voor werkgevers aantrekkelijker om meer mensen aan te nemen. Als het arbeidsaanbod groter wordt omdat mensen een lagere marginale druk ervaren, dan brengt dat met zich mee dat daarvan een drukkend effect op de loonkosten uitgaat. Per saldo leidt dat tot meer werkgelegenheid. Ik snap het punt van de heer Van Ojik: in een tijd waarin bedrijven failliet gaan, op grote schaal mensen worden ontslagen en het werkloosheidscijfer oploopt, klinkt dit misschien ietwat vreemd. Toch is het zo dat lagere arbeidskosten, zowel voor werkgevers als voor werknemers, die dan netto meer overhouden als zij aan het werk gaan, tot meer werkgelegenheid leidt. Het is dus wel degelijk van groot belang om deze maatregelen te nemen. In het regeerakkoord was al aangekondigd dat de arbeidskorting die inkomensafhankelijk wordt afgebouwd fors wordt verhoogd. Zeker mensen met lagere inkomens en middeninkomens gaan er fors op vooruit. Ook zullen meer mensen hun werk houden. Dat is dus verstandig beleid, zo zeg ik tegen de heer Van Ojik.

De heer Van Ojik (GroenLinks): Ik ben blij dat de staatssecretaris zegt dat hij wel een beetje begrijpt dat ik dat raar vind. Het kabinet verwacht van de arbeidskorting kennelijk dat het aanbod van arbeid daardoor verder toeneemt. De werkloosheid loopt daarvan echter nog meer op. Dat is mijn punt. Hiermee wordt geen positief maar juist een negatief effect op de werkloosheid gerealiseerd. Meer mensen worden uitgenodigd om op de arbeidsmarkt te komen. Die mensen zullen merken dat er veel te weinig vacatures zijn in relatie tot het aantal mensen dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt. Het werkt dus averechts.

Staatssecretaris Weekers: Ik ben het daar niet mee eens. Dat zeg ik namens het kabinet. Wij nemen een aantal maatregelen die weliswaar op de korte termijn pijn kunnen doen maar voor de middellange en lange termijn buitengewoon goed zijn voor de economische kracht van ons land. Hetzelfde geldt voor de maatregelen die wij nemen om het arbeidsaanbod te verruimen. Het kan zijn dat mensen op de heel korte termijn denken: nu zijn er nog meer concurrenten op de arbeidsmarkt. We gaan er echter van uit dat de economie aantrekt. Dat is ook de verwachting. Dan heeft dit uiteindelijk grote positieve effecten.
De heer Van Ojik zal zich ongetwijfeld kunnen herinneren dat we een paar jaar geleden nog collectief de vrees hadden dat er rond 2014 een groot tekort zou zijn op de arbeidsmarkt. Dat wordt nu niet meer verwacht. Dat neemt niet weg dat het voor het structureel beter functioneren van de Nederlandse arbeidsmarkt goed is om de weg te verkleinen en de marginale lasten op arbeid te verkleinen. Dat leidt tot meer arbeidsaanbod en tot meer efficiency in de economie.

De voorzitter: De heer Omtzigt heeft ook nog een vraag. Ik heb het nog niet aangegeven, maar we doen de interrupties in tweeën, anders komen we er zeker niet doorheen vandaag.

De heer Omtzigt (CDA): De staatssecretaris refereerde aan de vrij omvangrijke belastingverlaging door de verlaging van het tarief in de eerste schijf. Ik heb daarover een aanvullende vraag gesteld. Iedereen krijgt volgend jaar €140 extra, of je nu werkloos bent of een ton verdient of een minimumloon verdient. Er is echter één groep die daarvan uitgezonderd wordt, namelijk de gehuwde AOW'ers zonder of met een zeer beperkt aanvullend pensioen. Is de staatssecretaris bereid om daar nog iets aan te doen, zodat ook zij deze tegemoetkoming krijgen of worden zij de enige groep die hiervan uitgezonderd wordt?

Staatssecretaris Weekers: Op deze vraag van de heer Omtzigt zou ik vanzelf terecht zijn gekomen, maar ik zal hem nu meteen beantwoorden. Ik ga niet nog extra maatregelen treffen. Paren met alleen een AOW-uitkering profiteren ook van de belastingverlaging, ondanks het feit dat zij geen belasting betalen. Dat komt door de koppeling van het netto AOW-pensioen aan het netto minimumloon. Deze koppeling zorgt ervoor dat AOW-paren zonder aanvullend pensioen ook voordeel hebben van de maatregel. Ik ga daarom niet een extra maatregel nemen, want zij hebben ook voordeel van de maatregel vanwege die netto-nettokoppeling. Deze mensen betalen geen belasting. Ik ga deze mensen niet, omdat anderen wel profijt hebben van deze belastingverlaging van de eerste schijf, een negatief inkomstenbelasting verzorgen.

De heer Omtzigt (CDA): Deze mensen hebben via de netto-nettokoppeling een voordeel van €36, terwijl de rest van Nederland €140 voordeel heeft. Dat scheelt dik €100. In het originele plan van de Partij van de Arbeid zouden juist deze mensen €100 krijgen. Zij lopen dat nu dus voor het grootste gedeelte mis. Is de staatssecretaris bereid om op de een of andere manier iets te doen aan dit bedrag? Hij heeft ongeveer 200 knoppen in zijn Belastingplan zitten. Hij kan spelen met de alleenstaandeouderkorting of de ouderenkorting. Hij zegt dat heel Nederland dit bedrag krijgt. Blijft hij er dan bij dat hij deze groep daarvan gaat uitzonderen?

Staatssecretaris Weekers: Ik wil eerst een misverstand wegnemen. De heer Omtzigt veronderstelt dat de eenmalige uitkering van €100 niet door zou gaan, maar die uitkering gaat wel door. Die wordt dus niet geschrapt. De €36 waar de heer Omtzigt het net over had, komt daar bovenop.
De heer Omtzigt zegt terecht dat er in het belastingstelsel heel wat knoppen zijn om tal van groepen te kunnen bedienen. Maar er zit geen knop in om mensen te bedienen die geen belasting betalen. Dan zou je toe moeten naar een stelsel van negatieve inkomstenbelasting. Zo'n stelsel hebben we niet. We moeten mensen bereiken en dat gebeurt via toeslagen. Je kunt die korting voor ouderen wel vergroten, maar als er geen belasting wordt betaald, zorgt dat er niet voor dat mensen meer in hun portemonnee krijgen. Ik kan dat dus niet doen, dat zal de heer Omtzigt begrijpen.

De heer Bashir (SP): De heer Omtzigt heeft natuurlijk wel een punt. De belastingen worden in 2014 voor iedereen verlaagt, maar dan blijkt iedereen niet iedereen te zijn. Een groep, deze AOW'ers, wordt uitgesloten van deze belastingverlaging. Voor hen is het dus eigenlijk een belastingverhoging. Wat zijn de argumenten van de staatssecretaris om juist deze ene groep uit te zonderen van de belastingverlaging? Waarom wordt de groep van de AOW'ers weer gepakt?

Staatssecretaris Weekers: Deze discussie is enigszins merkwaardig. Als mensen geen belasting betalen, is het onzinnig om te zeggen dat zij door een maatregel waardoor anderen minder belasting betalen, meer zouden gaan betalen. Zij betalen immers niks. Het is een heel simpele maatregel. De eerste schijf wordt verlaagd. Iedereen die belasting betaalt in de eerste schijf, heeft daar profijt van. Deze maatregel sluit bij uitstek aan bij mensen met een wat kleinere portemonnee omdat het bij hen het hardst doortikt in harde euro's. Maar nogmaals, als je geen belasting betaalt, heb je ook geen voordeel van de verlaging van een tarief. Dat mag toch duidelijk zijn.

De heer Bashir (SP): Deze maatregel is juist bedoeld om de koopkracht van de mensen in het land te stimuleren. Alle groepen krijgen een koopkrachtstimulans in de vorm van een eenmalige belastingverlaging, maar één groep niet. Die groep behoudt dezelfde koopkracht. Er zijn ook nog eens AOW'ers, die AOW krijgen. Ik blijf erbij dat het een oneerlijke maatregel is. Via omwegen kun je ook deze groep compenseren, zodat zij ook meeprofiteren en die koopkrachtstimulans krijgen. Waarom krijgen alle groepen een koopkrachtstimulans, maar deze ene groep niet?

Staatssecretaris Weekers: Voor zover het de fiscaliteit betreft, kan ik de mensen niet bereiken die geen belasting betalen. Ik snap dat de heer Bashir met bepaalde vragen zit, maar die gaan over koopkracht. Ik kan discussies voeren over de koopkracht van tal van groepen, maar als ik ze via de fiscaliteit niet kan bereiken, zal de heer Bashir die discussie toch echt moeten voeren met minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die integraal verantwoordelijk is voor de koopkracht en die zelf ook tal van instrumenten heeft om mensen die geen belasting te betalen toch van koopkrachtplussen te voorzien door middel van uitkeringen. Deels wordt het hier al wel gedaan via de netto-nettokoppeling, zoals ik zojuist al heb gezegd. Als de heer Bashir nog iets extra's wil doen voor specifieke groepen die niet in de belastingsfeer bereikt kunnen worden, zal hij collega Asscher of collega Klijnsma moeten vragen om bepaalde uitkeringen te verhogen.
Voorzitter. De heer Bashir constateert dat als gevolg van de afbouw van de algemene heffingskorting al vanaf een inkomen van €30.000 minder heffingskorting wordt ontvangen. Geïsoleerd beschouwd is dat juist, maar ik vraag de heer Bashir om het toch te bekijken in de bredere context van het gehele Belastingplan. In dat pakket zijn naast de afbouw van de algemene heffingskorting forse verhogingen van de algemene heffingskortingen opgenomen, met name voor de mensen met de wat kleinere inkomens. Daarnaast wordt al in 2014 de arbeidskorting fors verhoogd, met name voor de mensen met de wat kleinere inkomens en de middeninkomens. Juist die verhogingen zorgen ervoor dat personen met een inkomen van €30.000 er uiteindelijk -- ik heb het dan over het eindplaatje in 2017 -- per saldo €700 op vooruitgaan. Dat mag toch substantieel genoemd worden.
De heer Van Ojik heeft gevraagd hoe ik aankijk tegen de lastenverlichting -- zo noemt hij het -- van 500 miljoen voor hogere inkomens uit de begrotingsafspraken voor 2014. Daarbij doelt hij voornamelijk op het niet-afbouwen van de algemene heffingskorting in de vierde schijf. In de begrotingsafspraken is een streep gezet door dit deel van de voorgenomen afbouw. Ik zou het geen douceurtje voor de hogere inkomens willen noemen, want per saldo raken die, ondanks het schrappen van dat deel van de afbouw, toch nog maximaal €1.500 aan heffingskortingen kwijt in 2017. Dat is ook te zien in tabel 4 op pagina 28 van het schriftelijk overleg. De maatregel die in het begrotingsakkoord is overeengekomen, betreft slechts het matigen van de erg forse afbouw die oorspronkelijk in de belastingplannen zat voor deze inkomens.

De heer Van Ojik (GroenLinks): Ik mag het van de staatssecretaris geen douceurtje noemen, maar als er geen begrotingsakkoord was geweest, was de algemene heffingskorting in de vierde schijf er niet meer geweest. Dat is heel simpel.
Nu is er 0,5 miljard uitgetrokken voor ongeveer 15% van de gezinnen in Nederland die meer verdienen dan €55.000. Of je dat nu een douceurtje noemt of niet, naar mijn mening is dat, in een tijd waarin je je geld zo veel beter voor allerlei andere dingen zou kunnen gebruiken, zondegeld. Maar goed, daarover verschillen de staatssecretaris en ik van mening. Het is natuurlijk toch een extraatje dat de mensen niet hadden gekregen als het aan het kabinet had gelegen. Ze krijgen het nu toch omdat het kabinet een akkoord heeft gesloten met de drie partijen die nu toevallig om mij heen zitten. Dat is de feitelijke situatie.

De voorzitter: Dit is eigenlijk meer een constatering dan een vraag, stel ik vast.

Staatssecretaris Weekers: Ik blijf erbij dat het geen extraatje is. De hoogste inkomens worden minder hard aangeslagen dan in de oorspronkelijke plannen, maar ze worden nog steeds behoorlijk aangeslagen. Het is dus geen extraatje en daarom zou ik het ook geen douceurtje willen noemen. Volgens mij lag er verder geen vraag in de interruptie van de heer Van Ojik besloten.
De begrotingsafspraken voor 2014 bevatten per saldo een lastenverlichting ten opzichte van het Belastingplan en het pakket van 6 miljard die in 2014 neerslaat bij burgers door de verlaging van het tarief in de eerste schijf en bij bedrijven door onder andere maatregelen voor het in dienst nemen van jongeren. Structureel slaan de lastenverlichtingen uit de begrotingsafspraken neer bij de zelfstandigen en bij bedrijven. Er geldt een minder zware aanslag bij de hogere inkomens, zoals ik zojuist aangaf. Voor chronisch zieken en gehandicapten blijft de fiscale aftrek gehandhaafd. Daarover heb ik eerder al toegezegd dat ik de regeling volgend jaar verder probeer te vereenvoudigen, te stroomlijnen en beter in te richten. Dat zal ik uiteraard mede doen met collega Van Rijn, de staatssecretaris van VWS. In reactie op de vraag van de heer Dijkgraaf merk ik op dat ik in de schriftelijke beantwoording heb aangegeven dat ik mij nog in het bijzonder zal bekommeren om de gemoedsbezwaarden.
Ik streef ernaar om de Kamer voor het zomerreces in een brief de hoofdlijnen van een nieuwe regeling te schetsen, zodat we voor het zomerreces kunnen bespreken of een dergelijk alternatief in de ogen van de Kamer een verbetering is. Dan kan ik het komende zomer ook in het Belastingplan 2015 verwerken.
Op de vragen van de heer Omtzigt over de eenmalige uitkering en de AOW-uitkering ben ik zojuist al ingegaan.
Ik had de heer Omtzigt ook beloofd dat ik hem een haakje zou geven voor box 2. Dat zal ik bij dezen doen. Er is toch wat kritiek gekomen op de optelsom van de lasten. De drie oppositiepartijen die een begrotingsakkoord hebben gesloten met het kabinet hebben er stevig op ingezet om de nadruk minder sterk te leggen op lastenverzwaring en meer op uitgavenreductie. Daar zijn nog extra maatregelen aan toegevoegd, zoals de tijdelijke verlaging van het tarief in box 2. Het aardige van een dergelijke maatregel is -- hetzelfde geldt eigenlijk voor het vrijvallen van de stamrechten -- dat dit volgens het ministerie van Financiën uiteindelijk zorgt voor behoorlijk wat extra belastinginkomsten volgend jaar. Die twee maatregelen bij elkaar opgeteld, brengt mij al op 2,2 miljard. Toch zullen de mensen die het treft dit niet ervaren als een lastenverzwaring. Sterker nog, zij zullen het ervaren als lastenverlichting. Als je een stamrecht dat nu beklemd is volgend jaar tegen 80% van de waarde in afrekening brengt, dan heb je een fiscaal voordeel. Hetzelfde geldt voor box 2. In plaats van een 25%-heffing geldt er eenmalig een 22%-heffing.

Dit betekent dat het geld, voor zover dat in de bv zit, niet gebruikt hoeft te worden om de onderneming draaiende te houden. De directeur en de grootaandeelhouders kunnen beslissen om dat geld volgend jaar tot uitkering te brengen tegen een lager belastingtarief. Als ik deze twee maatregelen plaats naast de andere maatregelen in het begrotingsakkoord, komt de tweede nota van wijziging neer op een lastenverlichting van per saldo een klein half miljard. Dus als je de vrijval stamrechten en de tijdelijke verlaging van de tarieven van box 2 eens even buiten haken plaatst, praat je voor 2014 per saldo niet meer over een lastenverzwaring. Dat zou toch niet alleen de heer Koolmees, de heer Dijkgraaf en mevrouw Schouten, maar ook de heer Omtzigt als muziek in de oren moeten klinken?

De voorzitter: Dat was het haakje. Het lijkt mij een redelijke kapstok voor de heer Omtzigt en, zoals ik zie, ook voor mevrouw Neppérus.

De heer Omtzigt (CDA): Wij zullen straks nog wel even op het stamrecht terugkomen. Mensen die nu een stamrechtuitkering hebben afgesproken die op 1 februari ingaat, zullen dit echter geenszins ervaren als een lastenverlichting. Voor hen is het dat ook in zijn geheel niet. Dit is gewoon een kasschuif, in alle termen. Heeft de staatssecretaris er in dit Belastingplan voor gekozen om, in tegenstelling tot de regels die tot nu toe golden, ook de in- en uitverdieneffecten expliciet voor alle maatregelen mee te nemen bij de opbrengstramingen?

Staatssecretaris Weekers: Nee, dat is niet gedaan. Kortheidshalve verwijs ik naar mijn schriftelijk antwoord waarin ik heel uitgebreid hierop ben ingegaan.

De heer Omtzigt (CDA): Dat is wel gedaan, want bij de tijdelijke verlaging van de tarieven van box 2 in 2008 werd er zelfs een kostenpost geraamd van enige tientallen miljoenen. Toen werden de tarieven van box 2 ook van 25% naar 22% verlaagd. Nu wordt er een opbrengst van 1 miljard geraamd, omdat de inverdieneffecten wel degelijk zijn meegeteld. Ik stel mijn vraag daarom nogmaals. Is de staatssecretaris bij dit Belastingplan van plan om alle in- en uitverdieneffecten mee te rekenen of juist geen, of doet hij het selectief?

Staatssecretaris Weekers: Ik verwijs nogmaals naar de schriftelijke antwoorden. Het betreft hier niet de inverdieneffecten, maar de raming van de dividendstromen. De tijdelijke verlaging van de tarieven van box 2 brengt in 2014 een behoorlijke opbrengst met zich, namelijk meer dan 1 miljard. In 2015 is de opbrengst nog een kleine 300 miljoen. Daarna zien wij echter een aantal jaren minder opbrengst. Dat is structureel in de boeken verwerkt. Wij kunnen ons namelijk niet rijk rekenen. De heer Omtzigt zegt dat je met deze maatregel bepaalde belastinginkomsten naar voren haalt. Dat is inderdaad het geval.

Mevrouw Neppérus (VVD): Het zal duidelijk zijn dat ik het tijdelijk verlagen van het tarief van box 2 op zichzelf een goede maatregel vind. Ik zit wel nog met het volgende dat in de schriftelijke antwoorden niet echt helder wordt. De Belastingdienst verwacht een bepaalde waardering van de bv's en de pensioen-bv's in eigen beheer. Dat zou erg moeilijk kunnen moeilijk worden. De roep om te kijken naar pensioenen in eigen beheer, wordt dan toch weer wat harder. Als de waarderingseisen dit kunnen belemmeren, moeten wij daar, lijkt mij, echt goed naar kijken.

Staatssecretaris Weekers: Als de kwestie van de waardering van pensioen in eigen beheer over een breed front tot minder mogelijkheid voor dividenduitkering zou leiden -- die zorg spreekt mevrouw Neppérus uit -- dan zou dit te zien moeten zijn in afnemende dividenden. Wij zien echter geleidelijk stijgende dividenduitkeringen en daarmee ook een toenemende grondslag en opbrengst in box 2.
Wij zien dus wat anders dan de zorg die mevrouw Neppérus naar voren brengt, maar uiteraard zullen vennootschappen waar pensioen in eigen beheer wordt opgebouwd, rekening moeten houden met de pensioenverplichting die is afgesproken, bij de beoordeling hoeveel extra dividend kan worden uitgekeerd in het kader van het eenmalig verlaagde tarief in box 2. Een pensioenverplichting van de vennootschap kan een beperking van de ruimte opleveren voor het doen van dividenduitkeringen, dat erken ik. Voor dga's die geen pensioen in eigen beheer opbouwen, geldt die beperking vanzelfsprekend niet. Het is ook niet zo dat vennootschappen die een dga-pensioen in eigen beheer hebben toegezegd, nooit dividend zouden mogen uitkeren.
De Kamer heeft al eerder aandacht gevraagd voor knelpunten bij pensioenen in eigen beheer. Vorig jaar hebben wij een knelpunt proberen weg te nemen in het Belastingplan. De vraag is of dat in de praktijk ook als zodanig wordt ervaren. Ik heb de Eerste Kamer toegezegd hierover een brief te sturen voor de behandeling van het Belastingplan. Die zal ik uiteraard ook naar de Tweede Kamer sturen. Daarbij zal ik ingaan op de toekomst van pensioenen in eigen beheer en bezien of we daar nog bepaalde knelpunten kunnen wegnemen.
Een knelpunt dat concreet wordt ervaren, is een verschil in behandeling bij de commerciële vaststelling volgens het jaarrekeningenrecht en volgens de fiscale regels. Dat heeft te maken met de rente die moet worden gehanteerd, de disconteringsvoet. Ik kom hierop terug in een separate brief, dus ik stel voor dat wij dit dossier op een ander moment wat meer uitvoerig en intensief met elkaar bespreken.

De heer Groot (PvdA): Toch nog een aanvullende vraag. We wachten met belangstelling de brief over de pensioen-bv's af. Is de verwachting dat deze ook al een verlichting van de knelpunten zal geven in 2014?

Staatssecretaris Weekers: Als de wet aangepast moet worden, zal dat geen verlichting kunnen bieden voor 2014, omdat ik deze wijziging van de belastingwetgeving zal moeten meenemen in het Belastingplan. Ik zou natuurlijk wel beleidsbesluiten kunnen nemen voor de uitvoeringspraktijk. Als het gaat om voordelen voor de belastingplichtigen, een begunstigend beleidsbesluit, kan ik dat als het ware contra legem nemen, uiteraard met steun van de Kamer. Beleidsbesluiten die een verzwaring inhouden voor belastingplichtigen, kan ik uiteraard niet nemen zonder een formele wet aan mijn zijde.

De heer Bashir (SP): In eerste termijn heb ik de staatssecretaris gegoochel verweten. Er wordt gerekend op belastinginkomsten die hoogst onzeker zijn en dat gaat ook nog eens ten koste van de toekomst. Ik hoor graag een verweer van de staatssecretaris. Is dit niet goochelen met belastinggeld en ook nog eens op de pof leven? Dat is wat er gebeurt als je belastinginkomsten uit de toekomst naar voren haalt.

Staatssecretaris Weekers: Ik ben niet op de term "goochelen" ingegaan, want als ik zou goochelen, had ik wel een ander vak gekozen. Dan zou ik hier niet zitten. Wij goochelen niet met cijfers en wij leven ook niet op de pof. Wij leven in een uiterst moeilijke economische tijd, met enorme budgettaire vraagstukken. Dat betekent dat wij maximaal inventief moeten zijn bij de maatregelen die wij nemen. De marges zijn heel smal. Wij moeten het huishoudboekje op orde brengen. Wij geven al jaren, jaar op jaar, 20 miljard meer uit dan er binnenkomt. Daar kunnen wij niet mee doorgaan.
Tegelijkertijd kent het snijden in de uitgaven ook zijn grenzen. Er wordt fors gesneden op de ministeries, op het ambtelijk apparaat. Collega Blok doet heel wat grote kantoorgebouwen van ministeries in de aanbieding.
Als je nog veel verder zou gaan met snijden, snijd je onherroepelijk in programma-uitgaven van uitkeringen. Ik denk dat de heer Bashir daar dan toch ook aandacht voor zou vragen.
Kijkend naar de belastingen ben ik ervan overtuigd dat we een pakket aan maatregelen op tafel leggen die niet allemaal even leuk zijn. Ik vind het niet prettig om lasten te verzwaren. Ik heb een paar jaar geleden voorgesteld een aantal kleinere belastingen af te schaffen. Een aantal daarvan is toch blijven bestaan en sommige worden zelfs opgehoogd. Dat vind ik natuurlijk niet fijn. Het totale pakket is noodzakelijk om Nederland uiteindelijk uit de crisis te loodsen en ons land sterker te maken.
Ik moet zeggen dat ik erg blij ben met twee maatregelen die ik al eerder genoemd heb. De tijdelijke verlaging van de tarieven in box 2 zorgt er inderdaad voor dat we volgend jaar meer in kas krijgen. De ondernemer of dga die het betreft, zal dit ervaren als een tijdelijke lastenverlichting. Het mes snijdt dus aan twee kanten. Dat geldt ook voor de vrijval van stamrechten.

De heer Bashir (SP): Met dat gegoochel bedoelde ik die laatste twee maatregelen. De staatssecretaris is er echter heilig van overtuigd dat dit geen goochelen betreft. We zullen hem op zijn woord geloven. Als je echter naar de effecten van die maatregelen kijkt, zie je dat die verbazingwekkend zijn. De staatssecretaris bevestigt in de brief ook zelf dat ze de bedrijvigheid negatief zullen beïnvloeden. Het verlagen van box 2 en het afschaffen van de stamrechtvrijstelling zal de bedrijvigheid negatief beïnvloeden. Dat willen we in deze tijd toch niet? Dit heeft niet alleen negatieve effecten op de toekomstige belastinginkomsten, maar ook op de bedrijvigheid.

De voorzitter: Misschien kan de staatssecretaris meteen een bruggetje maken naar het volgende blok, dat stamrechten betreft.

Staatssecretaris Weekers: Dat is een mooi bruggetje. Met deze twee maatregelen beogen we ook echt bestedingsimpulsen. Daar helpen we de economie volgend jaar alleen maar mee. De maatregelen voor de stamrechten en de tijdelijke verlaging van de tarieven in box 2 leiden niet tot minder bedrijvigheid, maar hopelijk juist tot meer. Die bedrijven die het geld in de bv moeten of willen houden om de onderneming goed draaiende te houden of uit te breiden, zullen niet overgaan tot dividenduitkering.
Natuurlijk zijn er wel enkele andere maatregelen die bepaalde vormen van bedrijvigheid raken. Ik noem maar de accijnzen. Daar kom ik later in mijn verhaal op terug. Het is ontegenzeggelijk zo dat die bepaalde bedrijven zullen raken. Ik vind dat niet plezierig; integendeel zelfs. We staan echter voor een enorme opgave.
Dat brengt mij inderdaad bij de stamrechten, het tweede blok. Zoals gezegd ben ik schriftelijk uitvoerig ingegaan op de vraagtekens die zijn gezet bij de ramingen. Er bestaat nooit zekerheid over ramingen. Eén zekerheid is er: geen enkele raming zal tot op twee cijfers achter de komma blijken te kloppen. Met ramingen proberen we in ieder geval naar beste inzicht te schatten wat bepaalde maatregelen opleveren of kosten. We hebben een behoedzame raming gemaakt, waarop we zeker vertrouwen.
De belangrijkste variabele waarmee we volgend jaar te maken hebben, is natuurlijk de economie. Als de economie wat sterker aantrekt dan we verwachtten, zullen de belastinginkomsten ook fors meevallen. Blijft de economische ontwikkeling achter bij de verwachting, dan zullen de belastingopbrengsten tegenvallen. Dat zullen we pas na afloop van volgend jaar weten. Zoals u weet, houden we ook tussentijds de vinger aan de pols.
Mevrouw Schouten en de heren Omtzigt, Bashir en Klein hebben een aantal vragen gesteld over het overgangsrecht bij het afschaffen van de stamrechtvrijstelling. Bij dit soort wijzigingen is altijd sprake van grensgevallen. Als je een bepaalde regeling in de toekomst afschaft, zijn er altijd grensgevallen. Dat is onvermijdelijk. Ik wil dat zorgvuldig wegen. Ook vanuit de praktijk zijn hierover vragen gesteld. Daarom vind ik het van belang om duidelijkheid te geven. Essentieel is dat de aard en de omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraken op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar zijn.
Dat betekent dat voor 1 januari 2014 een stamrechtovereenkomst getekend dient te zijn waaruit blijkt dat de werkgever aan zijn werknemer een aanspraak toekent op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, die niet later ingaan dan in het jaar waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Uit die overeenkomst dient tevens te blijken dat het bedrag ter financiering van de aanspraak bij een in de wet aangewezen aanbieder wordt ondergebracht.
Ook de ontslagdatum dient op 31 december 2013 vast te staan. Dat betekent echter niet dat de feitelijke ontslagdatum per se al in 2013 gelegen dient te zijn. Het ontslag moet dus wel aangezegd zijn voor 31 december 2013 en binnen korte termijn worden uitgevoerd. Dan vraag je je natuurlijk af wat een korte termijn is. Daarvan is in ieder geval sprake als het gaat om de wettelijke opzegtermijn. Een wettelijke opzegtermijn kan, inclusief de wettelijke verlengingsmogelijkheid, oplopen tot uiterlijk een halfjaar. Dat is dus de redelijke termijn waar ik het zojuist over had. Die wordt gekoppeld aan de wettelijke opzegtermijn.
Aanmelding van het sociaal plan bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is niet van belang, want een stamrechtaanspraak -- dat weet de Kamer uiteraard -- kan immers ook buiten een sociaal plan toegezegd zijn. Dat kan dus niet van doorslaggevende betekenis zijn.
Ik ben van mening dat deze afbakening van de toepassing van de stamrechtvrijstelling voldoende ruimte biedt en dat de voor 2014 toegekende stamrechten met het overgangsrecht op de juiste wijze worden behandeld.
Als hier geen verdere vragen over zijn ...

De voorzitter: Ik denk zomaar dat dit wel het geval zal zijn.

Staatssecretaris Weekers: Ik zal zo ingaan op de vragen die mevrouw Neppérus en anderen hebben gesteld over de grens van 15 november.

De voorzitter: Ik hoor dat een en ander met elkaar samenhangt. Zullen we de staatssecretaris dit eerst nog laten uitleggen? Dan kunnen we daarna bekijken welke vragen nog zijn blijven liggen op dit punt.

Staatssecretaris Weekers: Mevrouw Neppérus heeft verzocht meer duidelijkheid te geven over de grens van 15 november, bij de afbakening van de 80%-regeling bij stamrechten. Mevrouw Neppérus heeft ook gevraagd of gekeken kan worden naar de grensgevallen, waarbij partijen rond 15 november overeenstemming hebben bereikt of zullen hebben bereikt --15 november moet namelijk nog komen -- over het stamrecht, maar nog wel wat puntjes op de i moeten zetten.
De voorwaarde voor de 80%-regeling is dat het bedrag voor het stamrecht voor 15 november moet zijn overgemaakt. Deze voorwaarde heb ik erin opgenomen om anticiperend gedrag te beperken. We hebben in het verleden in de Kamer discussies&

Live Chat

Adviesvraag over stamrecht?

Heeft u een adviesvraag met betrekking tot uw ontslagvergoeding of een stamrecht BV? Wij helpen u graag. Het eerste antwoord is kosteloos. Als u duidelijk uw situatie beschrijft heeft u ook na één antwoord door een fiscalist van ons bureau meestal een goede indruk van een mogelijke oplossing.

Velden met een * zijn verplicht.

Na ontvangst van uw aanvraag zullen wij binnen maximaal één werkdag contact met u opnemen.

Hulp nodig?

Bij het aanvragen van uw offerte?

0168 32 77 02

Waarom klanten ons kiezen?

    • Wij werken landelijk
    • Wij werken op basis van vaste tarieven voor vaste werkzaamheden;
    • Wij hanteren geen vast contract, u kunt maandelijks opzeggen;
    • Maandelijkse nieuwsbrief met belastingtips;
    • Wij geloven in een persoonlijke relatie met een vaste accountmanager en vaste medewerkers;
    • Kosteloos kennismakingsgesprek, desgewenst bij u op het bedrijf of aan huis;
    • Binnen 1 dag antwoord op uw e-mail;
    • Direct contact met een medewerker;
    • Haal- en brengservice voor uw administratie;
    • Maximale belastingbesparing;
    • Gratis overstapservice.

Meld u nu aan voor onze nieuwsbrief!

Wij wassen uw auto!

Bezoekt u ons kantoor voor een kennismakingsgesprek dan reinigen wij uw auto, van binnen en buiten!

Carwash